Per 1 januari 2027 wordt een nieuwe werkgeversheffing ingevoerd: de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto's van de zaak. Werkgevers die een benzine-, diesel- of hybrideauto aan een werknemer ter beschikking stellen die ook privé mag worden gebruikt — waarbij woon-werkverkeer als privégebruik telt — betalen vanaf dat moment 12% over de cataloguswaarde van de auto. Per jaar, bovenop de bestaande bijtelling bij de werknemer. De maatregel is onderdeel van het Belastingplan 2026 en raakt ook de dga die in zijn eigen bv rijdt.
In mijn praktijk zie ik dat deze regeling bij veel ondernemers en hun adviseurs nog niet op het netvlies staat, terwijl de gevolgen fors kunnen zijn. In dit artikel zet ik de hoofdlijnen uiteen, reken ik een praktijkgeval door en laat ik zien waar de waardebepaling van het voertuig — ons vakgebied — een rol gaat spelen.
De achtergrond: wat zegt de memorie van toelichting?
De wetgever windt er in de memorie van toelichting geen doekjes om: het doel is de volledige elektrificatie van het zakelijke wagenpark. De pseudo-eindheffing is uitdrukkelijk bedoeld als "normerende werking" richting werkgevers. Wie na 1 januari 2027 nog een fossiele personenauto ter beschikking stelt voor privégebruik, betaalt daarvoor een prijs die moet aanzetten tot een andere keuze (Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 3).
De heffing is vormgegeven als een werkgeversheffing binnen de loonbelasting. Dat betekent: de werkgever betaalt, en mag de heffing niet verhalen op de werknemer. Voor de dga die vanuit zijn eigen bv een fossiele auto rijdt, betekent het dat zijn bv de heffing verschuldigd is — de dga betaalt hem dus feitelijk zelf, via zijn eigen vennootschap.
De hoofdregels
De pseudo-eindheffing bedraagt 12% per jaar over de cataloguswaarde van de personenauto, inclusief btw en bpm. De heffing geldt voor personenauto's (categorie M1) met een CO₂-uitstoot van meer dan 0 gram per kilometer — dus ook voor hybrides en plug-in hybrides. Bestelauto's en vrachtauto's vallen erbuiten, evenals volledig elektrische en waterstofauto's.
De heffing wordt berekend per kalendermaand: staat de auto in een maand ook maar één dag voor privégebruik ter beschikking, dan is over die hele maand 1/12 van de jaarheffing verschuldigd. Anders dan bij de bijtelling geldt géén 500-kilometergrens, en telt woon-werkverkeer als privégebruik.
Wanneer geldt de pseudo-eindheffing niet
De heffing is niet in alle gevallen verschuldigd. De belangrijkste situaties waarin de pseudo-eindheffing buiten beeld blijft:
De auto die vóór 2027 al ter beschikking staat. Stelt dezelfde werkgever de auto vóór 1 januari 2027 ter beschikking, dan geldt het overgangsrecht en blijft de heffing buiten beeld. Overweegt u een fossiele auto van de zaak, schaf hem dan nog dit jaar aan. Zie hieronder het kopje Overgangsrecht: bestaande gevallen tijdelijk ontzien voor de voorwaarden en scherpe randen.
De dga die uitsluitend zakelijk rijdt. Wordt de auto aantoonbaar alleen zakelijk gebruikt, dan is er geen terbeschikkingstelling voor privédoeleinden en is de heffing niet verschuldigd. Let op dat woon-werkverkeer bij deze regeling wél als privégebruik telt. Dat wijkt af van de gewone bijtellingsregels. De bewijslast ligt bij de belastingplichtige en vraagt in de praktijk om een sluitende rittenregistratie.
De eenmanszaak of vof. De IB-ondernemer die zichzelf een fossiele auto ter beschikking stelt krijgt voor zichzelf niet met de heffing te maken. Het gaat om een heffing in de loonbelasting en een eenmanszaak stelt de auto niet ter beschikking aan een werknemer in de zin van de loonbelasting. Heeft de onderneming personeel dat een fossiele auto van de zaak rijdt, dan speelt de maatregel wel.
De volledig elektrische auto. De heffing richt zich op personenauto's met CO₂-uitstoot. Wie volledig elektrisch of op waterstof rijdt valt er buiten.
De eigen auto met kilometervergoeding. Wie geen auto van de zaak heeft maar in de eigen auto rijdt en een kilometervergoeding declareert krijgt er evenmin mee te maken.
Overgangsrecht: bestaande gevallen tijdelijk ontzien
Voor auto's die vóór 1 januari 2027 al door dezelfde werkgever ter beschikking zijn gesteld, geldt overgangsrecht: de heffing blijft dan voorlopig achterwege. De overgangstermijn liep oorspronkelijk tot 17 september 2030; de staatssecretaris heeft aangekondigd deze te willen verlengen naar 1 januari 2031, maar die verlenging moet nog wettelijk worden vastgelegd.
Let op de scherpe randen van dit overgangsrecht. Het is gekoppeld aan de combinatie van werkgever en auto, niet aan de werknemer. Stelt dezelfde werkgever de auto aan een andere werknemer ter beschikking, dan blijft het overgangsrecht in stand. Maar gaat de werknemer met auto over naar een andere werkgever, dan vervalt het — de auto wordt dan immers door een andere inhoudingsplichtige ter beschikking gesteld. Alleen bij fusies en overnames, waarbij de nieuwe werkgever in de plaats treedt van de oude, blijft het overgangsrecht behouden. Daarnaast zijn versoepelingen aangekondigd voor vervangend vervoer (maximaal veertien dagen) en voor een eenmalige kortdurende terbeschikkingstelling van maximaal zeven dagen per kalenderjaar.
Rekenvoorbeeld: een nieuwe Porsche 911 Turbo S
Wat betekent dit concreet? Neem de dga die begin 2027 een nieuwe Porsche 911 Turbo S (992.2, met de 711 pk sterke T-Hybrid-aandrijflijn) zakelijk en hagelnieuw aankoopt met de bv. De vanafprijs van de coupé bedraagt € 352.295.
De pseudo-eindheffing bedraagt dan 12% van € 352.295 = € 42.275 per jaar, ofwel ruim € 3.523 per maand. Over een gebruiksperiode van 48 maanden praat je over ruim € 169.000 aan pseudo-eindheffing — nog los van de reguliere bijtelling die de dga als werknemer van zijn bv betaalt (22% van de cataloguswaarde = € 77.505 per jaar bij het loon, tegen het toptarief van 49,5% is dat circa € 38.365 per jaar aan inkomstenbelasting).
Een fossiele droomauto op de zaak wordt per 2027 dus in twee richtingen tegelijk belast: de dga betaalt inkomstenbelasting over de bijtelling, en zijn bv betaalt daarbovenop de pseudo-eindheffing. Wie deze cijfers naast elkaar zet, begrijpt waarom de leasemarkt en de accountancy zich op deze regeling aan het voorbereiden zijn. De afweging om de auto van de zaak naar privé over te hevelen wordt daarmee voor meer dga's actueel.
Auto's ouder dan 25 jaar: de waarde in het economische verkeer als grondslag
Voor personenauto's die meer dan 25 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen, geldt een afwijkende grondslag: niet de cataloguswaarde, maar de waarde in het economische verkeer. Voor klassiekers kan dat een aanzienlijk verschil maken — de cataloguswaarde van een auto uit de jaren negentig zegt weinig over wat hij nu waard is, en de wetgever sluit daarom aan bij de actuele marktwaarde.
Opvallend is dat deze grens afwijkt van de bijtellingsregeling, waar de waarde in het economische verkeer al vanaf 16 jaar na eerste ingebruikname als grondslag geldt (tot 1 januari 2026 lag die grens op 15 jaar). De youngtimerregeling 2027 staat op dit moment open en het kabinet heeft vier afbouwpaden geschetst. Een dga met een auto van bijvoorbeeld 20 jaar oud krijgt dus met twéé verschillende grondslagen te maken: de bijtelling over de waarde in het economische verkeer, en de pseudo-eindheffing over de oorspronkelijke cataloguswaarde.
En hier komt de taxateur in beeld. Waar de waarde in het economische verkeer de grondslag is, telt de onderbouwing van die waarde — een WEV taxatie legt die vast. Een waarde die bij een controle niet met vergelijkingsauto's, een schadecalculatie en vastgelegde koerslijstgegevens van de peildatum kan worden onderbouwd, staat zwak — de bewijslast ligt immers bij de belastingplichtige. Stel bijvoorbeeld dat de Belastingdienst de waarde van een klassieker op € 400.000 stelt waar € 44.000 gebaseerd op een gedegen taxatierapport verdedigbaar is: het verschil in pseudo-eindheffing bedraagt dan € 48.000 tegenover € 5.280 per jaar.
Tot slot
De pseudo-eindheffing is geldend recht en gaat per 1 januari 2027 in. Voor werkgevers en dga's met fossiele auto's van de zaak is 2026 het jaar om de gevolgen in kaart te brengen. Welke auto's vallen onder het overgangsrecht. Welke contracten lopen door tot na de overgangstermijn. En waar is de waarde in het economisch verkeer straks de grondslag.
Dit artikel is een momentopname (laatst bijgewerkt augustus 2026) van een regeling waarvan onderdelen — waaronder de verlenging van het overgangsrecht — nog wettelijk moeten worden vastgelegd. Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend; voor advies over uw specifieke situatie kunt u contact met ons opnemen.






